Frenk der Nederlanden

Zachtjes vloekend worstelde de fietser zich door de meute. Als ratten waren ze weer uit hun holen gekropen, en hij kon er niet meer tegen. Overdreven misschien, maar ergens begreep ik hem wel. Hoeveel toeristen kan een mens verdragen?

Ik ontweek een fietstaxi en peddelde over de Geldersekade naar de Nieuwmarkt. Het was goddelijk weer. En kijk nou eens, fietste daar niet Jan-Jaap van der Wal? Verdomd. De cabaretier had een gezicht als een oorwurm en was geheel in het zwart gekleed. Eens een dominee, altijd een dominee. Voor het Rembrandthuis in de Jodenbreestraat stonden twee mannen en een vrouw in de startblokken voor een voettocht langs de plekken die een rol hebben gespeeld in het leven van De Nachtwacht.

Nu sterft het van de wandelingen door de oude binnenstad, maar deze was nu eens niet uitgezet door een handige jongen, maar door een man die zijn liefde voor de geschiedenis wilde delen. Jacques Hendrikx was zijn naam, en Jacques, in het dagelijks leven schrijver, vertelt sinds 2006 elke week wel een keer zijn verhaal over het wereldberoemde schuttersstuk. Ooit schreef hij een roman en een toneelstuk over Frans Banning Cocq, de aanvoerder van de compagnie die op het doek staat afgebeeld. “En wat ik toen allemaal ontdekte, wilde ik niet voor mezelf houden.”

Jacques (Gilze-Rijen, 1953) stak meteen van wal. “Waar De Nachtwacht is geschilderd, weten we niet. Rembrandt had hier een atelier, maar dat was veel te klein. Volgens het museum is het doek geschilderd op de binnenplaats, in de buitenlucht. Het zou kunnen, want de winter van 1641 was extreem zacht.” Dat gezegd hebbende, ging Jacques, gewapend met een boek vol oude prenten en foto’s, in een straf tempo op pad. “De wandeling is slechts 2,5 kilometer lang, maar eigenlijk heb ik aan twee uur nog niet genoeg.”

En hij stelde niet teleur. In de Verversstraat vertelde hij mooie anekdotes over de zeventiende-eeuwse lakenindustrie. We kwamen van alles te weten over De Staalmeesters. En in het Doelen Hotel aan de Kloveniersburgwal liet hij zien waar De Nachtwacht voor het eerst het grote publiek werd getoond. In een hotelgang was nog een stuk van de originele Doelenzaal bewaard gebleven, en aan de hand van de kopie die hier hing, vertelde Jacques wie allemaal op het doek staan afgebeeld. “De vaandeldrager moest altijd vrijgezel zijn, want hij liep het meeste risico in een gevecht gedood te worden.”

En voort gingen we. Langs het huis van Jan Six, Rembrandts goede vriend en opdrachtgever. De Stadsbank van Lening, waar hij na zijn faillissement in 1658 spullen verpandde. En natuurlijk het stadhuis op de Dam, de tweede plek waar De Nachtwacht kwam te hangen. Jacques: “Omdat het doek te groot was voor de kleine krijgsraadkamer, hebben ze er toen een meter afgesneden.” We passeerden de Oude Kerk, waar Saskia begraven ligt. “Zij stond waarschijnlijk model voor het meisje op het schilderij.” De Waag. “Hier zat het St. Lucas Gild, de beroepsvereniging waar Rembrandt lid van was.” En het Trippenhuis, waar het schilderij van 1815 tot 1885 hing. “Daar heeft Van Gogh voor het eerst De Nachtwacht gezien.”

En zo zou hij nog uren kunnen doorgaan, maar wandelen maakt dorstig, en daarom streken we neer op het terras van café De Beiaard. Daar toonde Jacques ons hoe De Nachtwacht in de Tweede Wereldoorlog van hot naar her werd gesleept, om op 29 juni 1945 met een binnenvaartschip terug te keren naar Amsterdam. “Die tocht voerde via België, en dat is de enige keer dat De Nachtwacht over de grens is geweest.”

Ja, het was een leerzame middag.